LIEVE VAN IMPE:
WAARUIT DE AARDE IS/ MAAR EENDER NOG / ZIJN WIJ AAN LICHT GELIJK...

Of de naam Lieve Van Impe veel lezers iets zegt, valt te betwijfelen. Een eerste verzenbundel, hij mag dan goed wezen en verkocht worden in grote oplage, zelfs een herdruk krijgen, opent zelden de dichtgespijkerde deuren van onze literaire bonzen.

Alhoewel Lieve door de Vlaamse Vrouwenraad niet werd aangeschreven om in het boek 'Eigen Wegen' te prijken, waarin zogezegd 'alle nog levende Vlaamse dichteressen werden opgenomen', mocht ze van geluk spreken: haar eersteling 'De dagen voor anker' werd meteen besproken in het Nieuwsblad door Rik Vanmulders; artikel dat achteraf werd opgenomen in het boek 'Ongehoord', uitgegeven door Netwerk, Aalst.

Ze schreef me aan een jaar geleden. Het lijkt alsof tussen ons een onverbreekbare band bestond en bestaat. In haar uitgegeven bundel staan zinnen die meteen aan plagiaat doen denken en wel aan versregels zo uit mijn eigen 'Witte Silhouetten' gegrepen. Bij het lezen ervan ervoer ik dit, eigenaardig genoeg, als iets positiefs. Later zou ik andere gedichten van haar lezen, die sterk op de mijne lijken die ik op haar leeftijd schreef; gedichten waarvan ze geen weet kon hebben. Gaat het om meer dan zielsverwantschap? We zullen Lieve hieromtrent bevragen. Vooraleer het vraaggesprek met haar te beginnen, neem ik haar bundel ter hand waarin dit gedicht

Lago de Bollarque

Het meer van Bollarque, een middag vol zon
met stuifmelend zilver op water
een waterval wind die opnieuw begon
de armen vol vrede voor later

dit meer van libellen en appelgroen
verhalen van stilte vertellen
zich zomaar van alle kilte ontdoen
geluk warm en eindeloos spellen

achter vloeibaar glas een speelweide zon
een land zien van onder water
het verste verleden, de oudste bron

ik word een vrouw van water,
een kleine golf, een rimpeling,
een lichtvlekje geklater

Met dit gedicht, Lieve, stel ik je aan de lezers van het weekblad Vrij Maldegem en De PoŽzietuin voor. Je zegt: "We zullen proberen er een paar heilige momenten van te maken". Je bedoelt wellicht de innige, kostbare uren die we samen aan dit vraaggesprek zullen wijden, nietwaar? Vooraleer we over jouw talent als dichteres gaan praten, kan je de lezers misschien vertellen vanwaar je afkomstig bent en tevens iets over de samenstelling van je gezin?

Mijn bakermat is Denderhoutem-Iddergem, een landelijke gemeente tussen Aalst en Ninove, waar ik in een van de gehuchten ben opgegroeid. Ik ben dus wel degelijk een buitenkind. Van beroep ben ik lerares Engels, Nederlands en godsdienst, en geef deeltijds les aan het Instituut Dames van Maria te Aalst. Ik ben gehuwd, moeder van een tienerdochter en twee jongere zonen.

Je woont in een bijna ongeschonden landelijke omgeving. Jouw modern en gezellig huis staat op een heuvelkam. En wat een pracht van een vallei strekt zich hier uit?Voel jij je sterk tot het landelijke aangetrokken, 'den buiten', zoals men bij ons pleegt te zeggen?

Toen wij pas gehuwd waren, woonden wij op een appartement te Aalst. Na enkele jaren vluchtten wij naar een huis met tuin op het platteland. Ik aard duidelijk niet in de stad. Heb natuur en ruimte broodnodig om te leven, om te schrijven. Vanuit onze ramen kijken we uit over de groene Dendervallei met aan de horizon de beboste heuvels van Brabant, gaande van Aalst over Hekelgem tot Asse en zelfs tot Brussel. Hier maak je de seizoenen van dichtbij mee; het elegische, het vergankelijke ook...

Toen ik ruim een jaar geleden een brief van jou bekwam in verband met mijn artikel 'Leer ze me kennen de vrouwen' schreef je mij een deugddoende brief. Je zei dat je me 'kende'; dat je mijn bundel 'Witte Silhouetten' bezat waarvan de gedichten je sterk hadden ontroerd. Het spijt me dat ik toen verzuimde jouw brief te beantwoorden. Ik wil me nogmaals voor deze nalatigheid verontschuldigen. Toch zou onze eerste ontmoeting, "die er moest komen", zei je achteraf, uitgroeien tot wederzijdse stimulans en wederkerige genegenheid. Heb jij daar een verklaring voor? Of voor de versregels in jouw bundel die zo schijnen overgenomen te zijn uit de mijne?

Jaren geleden kreeg ik van een vriend jouw 'Witte Silhouetten' cadeau. De bundel heeft me ontzettend aangegrepen. Er bestond dus blijkbaar een vrouw die vanuit dezelfde aarde schreef; die als het ware een stuk van mezelf verwoordde in een taal die mij eigen was. Vandaar de twee gedichten uit 'De Dagen voor Anker' (jaren later dan jouw 'Witte Silhouetten' geschreven en uitgegeven), waarin ik onbewust enkele zinnen - die als plagiaat zouden kunnen doorgaan - lijk te hebben overgenomen. Nu we elkanders losse gedichten ingekeken hebben stel ik vast, dat we deze in bijna eendere taal schreven zonder dat wij van elkaar afwisten. Wie beÔnvloedde wie? Empathie? Een eigenaardige vorm van tweelingschap? Vandaar ook die herkenning; die plotse en spontane genegenheid onmiddellijk bij de eerste persoonlijke ontmoeting. Alsof we op elkaar gewacht hadden...

Ja, we gelijken innerlijk sterk op elkaar. Misschien horen we bij elkaar binnen het dichterschap; is onze vriendschap ook een soort steun zoeken bij elkaar, om gezamenlijk meer energie te vergaren voor de taak die we tot een goed einde willen brengen: 'iets' duiden, 'iets' in leven houden. Een soort magische levensboom, dacht ik, waarvan we de wortels zijn; iets wat men Geheugen zou kunnen noemen...? Geloof je in de taak die ons werd opgelegd en waaraan we niet schijnen te kunnen ontsnappen?

Of we 'iets' in leven houden zou ik niet durven zeggen. Wel dat wij intens en hevig naar waarheid zoeken; naar de (on)zin van alles wat inherent is aan dit bestaan. Zo ook naar oorsprong en toekomst, en dat, wanneer een gedicht ons 'overvalt', wij door iets onnoemelijks worden gegrepen. Dat schrijven voor mij ook te maken heeft met (in)zien, groeien, openbaren... Dichten is zich opgenomen voelen in een magische realiteit waarbinnen men plots in staat is om het wonder te zien van taal; is tot in de kern aangeraakt worden door dat onzegbare in de materie die we zijn en waarbinnen we zijn. Ja, dichten is zoiets als de brandende fakkel doorgeven, dank zij het op dat moment opduikende, wondere woord, en zo staan in de oeroude rij van hen die ons hierin zijn voorgegaan; van hen die het licht lieten schijnen tot in de kern der dingen. In die zin is dichten dan ook een sacraal gebeuren; heeft het, in de zuiverste zin, met religie te maken.

Het zien
          voor Iris
          van ziel tot ziel,
          van vrouw tot vrouw,
          om wie we zijn.

Ze zei
ze zag de diepten
van het oudste water
de schelp die op de bodem lag,

die ťne kinkhoorn
Oog en Oor tezelfdertijd
waarbinnen ruimte was en aarde.
Zo, het beginnend wier

dat tussen plant en dier
ontstond.Uit alle wortels
uit zijn moddergrond rechtte
een boom zich naar het licht.

Bevrijd zong hij over het water.
Ze zei, ze zag als in een droom
al wat nog te gebeuren stond.

Ze sprokkelt runentekens
tussen toen en later.

Naast Het zien, schonk je me eveneens het gedicht Land-Inwaarts. Daarin zie ik, dat ook jij van die momenten hebt waarop je aan het muiten slaat of zou willen slaan. Bij mij zit het rebelleren tegen verdwazing en verloedering er diep in geworteld, zodanig zelfs, dat ik daardoor geregeld in conflict kom met allerlei mensen. Ik vraag me af in hoever jouw 'muiterij' aarde aan de dijk heeft gebracht. Blijft het niet een soort rebelleren op papier? Heb je er geen moeite mee je als dichteres af te zetten tegen de dagelijkse sleur?

Voor mij houdt 'schrijven' rechtstreeks verband met 'leven'; met dat leven ook waarvoor ik, grotendeels, verantwoordelijk ben. Ik geef toe dat het inderdaad een hele boterham is: het verzoenen van gezin, beroep, familie, vrienden, sociale activiteiten, hobby's, lezen, schrijven. Af en toe wordt het overvolle leven dan wel eens als sleur ervaren, vooral als de energie op een laag pitje brandt. Maar binnen onze korte tijd valt er zoveel te leren, te kennen, mee te maken, mee te verwezenlijken, dat ik het moeilijk heb met dichters die zichzelf dagelijks urenlang afsluiten en verplichten om te schrijven. Nee, laat mij op de eerste plaats volop leven, van daaruit kan ik pas schrijven.

Land-Inwaarts

Tijd voor het winterslapen.
De dagen zijn voortaan gekooid
en licht hangt op de rand van leven.
Dit land wordt weer als huid gelooid,

als vlas geroot tot in de vezel
en luchten zijn op drift geslagen
onder het onmeedogend jagen van
drieste horden westenwinden.

Er is een muiterij aan gang
van al gelijkgezinden.

Misschien is er de ene of andere lezer die graag iets meer zou vernemen over de inhoud van het gedicht zelf. Zoals ik het aanvoel sta je ergens aan de grens. Bij het lezen voel ik jouw intense pijn aan, deze van je vrouwzijn naast deze die het dichterschap met zich meebrengt: "dit land wordt weer als huid gelooid/ als vlas geroot tot in de vezel'. Kun je misschien die pijn wat nader omschrijven?

Ik ben inderdaad een natuurmens, 'tot in het merg', als je wilt. Ik ervaar het leven vanuit een intense verbondenheid met de natuur en met haar seizoenen, in wiens elegische verloop ik zoveel van een mensenleven herken: van ontstaan tot verval, van schoonheid tot decadentie, geluk, verdriet. Aangeraakt worden, geslagen ook, tot de existentiŽle, menselijke pijn om zoveel onvolkomenheid en onmacht. Pijn dus, waar ook ik soms aan lijd.

Ja, existentiŽle pijn kennen de meeste mensen maar al te goed. Leren omgaan met leed, met dat van anderen en dat van jezelf, vraagt soms jaren inspanning en opoffering, maar de ervaring leert ons dat het tegelijkertijd een enorme, innerlijke verrijking is. Ervaar jij dit nooit als tegenstrijdig: aan de ene kant jouw gedichten, die in de warme schoot van je diepste ik als sappige vruchten rijpen, terwijl je zelf - figuurlijk dan - soms buiten in de bitterste koude staat, blootgesteld aan weer en wind?

Wat je zegt lijkt enigszins bevreemdend. Schrijvend vanuit mijn diepste wortels blijft het gedicht een lijfelijke ervaring, alhoewel het me inderdaad 'overkomt' als een vonk van daarbuiten die plots overslaat, breekt het tezelfdertijd ook van binnenin uit. Tegenstrijdig, als je wilt, maar niet schizofreen. Dit is het wellicht wat je bedoelt? Tenslotte is eenzaamheid bij het schrijven functioneel en fundamenteel maar niet bevreemdend noch vervreemdend.

Iris Van de Casteele (dit gesprek wordt volgende week voortgezet)

LIEVE VAN IMPE: WAARUIT DE AARDE IS/ MAAR EENDER NOG / ZIJN WIJ AAN LICHT GELIJK...

Een ander gedicht van jou, dat ik zeer mooi vind, draagt de titel 'In woorden'. Daarin schenk je jezelf volledig weg en wel op een zeer lijfelijke manier. Heeft dit liefdesgedicht voor jou een bijzondere betekenis? Soms heb ik de indruk dat je bijna dreigt onder te gaan in het zichzelf wegschenken, in het liefhebben. Alhoewel je in de meeste van jouw gedichten als de 'alles gevende' overkomt bemerk ik nauwelijks iets van de 'alles krijgende'. In vele van jouw verzen spreekt het gemis boekdelen. Is het niet indiscreet je daarover te bevragen?

Moeten we niet allemaal (leren) omgaan met gemis, de ene al meer dan de andere..? Zo is ook niemand de alles gevende noch de alles krijgende. Ergens blijven wij inderdaad existentieel eenzaam. Ieder mens is een uniek heel-alletje op zichzelf, met in de kern die grote hunker naar vervulling, volledigheid. Naar totaal aanvaard, begrepen, bemind worden door die 'andere'. Hoe inniger een relatie, hoe sterker de hunker, denk ik. Dus hoe vollediger ook het geluk, anderzijds hoe dieper het verdriet, het gemis. Wie oprecht liefheeft weet zich geheiligd, soms gekruisigd. Gemis, eenzaamheid... Ze horen dus ook tot mijn leven. Vreugde en dankbaarheid ook, omdat ik mij terecht als veelkrijgende ervaar. Misschien spreken mijn gedichten klaardere taal?

In woorden

Steeds weer uit liefde
word ik je diafane bruid.
Stap losjes uit mijn woorden
als uit te ruime kleren en

sta voor jou in transparante huid.
Binnen de kamers van de taal
kleed ik me lenig voor je uit en
je bewoont mij
tot in de teerste kern.

Tijdens het gesprek dat je had met Rik Vanmulders, zei je dat jouw favoriete dichters Ida Gerhardt, Vasalis en Anton Van Wilderode zijn. Het zou me sterk interesseren waarom je nu precies deze drie dichters vernoemde? Vinden minder bekende dichteressen (Vlaamse?) geen genade in jouw ogen, of dichters, die bijna nergens aan hun trekken komen? Speel jij niet het spel mee van 'grote namen noemen 'zoals het zich tot vervelens toe telkens opnieuw herhaalt in literaire kringen?

Het is best begrijpelijk, Iris, dat steeds weer dezelfde namen noemen velen blijft ergeren, o.a. ook mij. Dat ik toen precies deze drie dichters vernoemde heeft te maken met het feit dat ik helemaal niet zo belezen ben, althans niet wat poŽzie betreft. Je vertelde mij dat ook jij laattijdig tot poŽzie lezen gekomen bent, weet je nog, we hadden het over de leeshonger uit onzer kinder- en jeugdjaren. Vreemd genoeg kende ook ik die honger niet waar het poŽzie betrof. Wel las ik op jeugdige leeftijd (tussen 12 en 18 jaar) zowat al de groten uit de Europese literatuur.

PoŽzie bleef hangen bij schoolse, summiere initiatie. Pas nadat ik zelf geregeld in literaire tijdschriften publiceerde, begon ik mij voor poŽzie te interesseren. De laatste tijd leerde ik heel wat dichters kennen en waarderen buiten de klassiekers uit de humaniora, waarvan ik overtuigd ben dat zij heel wat meer 'naam' verdienen dan degenen die, dank zij 'relaties' op dit ogenblik zowat aan de top staan.Dichterlijke olie drijft hier, spijtig genoeg, niet altijd boven. Kwestie van 'een lange arm', weet je...

Ik begrijp je, Lieve. Misschien moeten we eerst zelf volwassen poŽzie schrijven eer we kunnen opgaan in deze van anderen; eer we naar de 'andere' kunnen toegaan. Naar om het even welke mens, bedoel ik, alhoewel we waarschijnlijk nooit in staat zullen zijn meer dan een paar levens)lichtjes te duiden. Je zei ooit dat poŽzie verstaanbaar en herkenbaar moet blijven. Dat Paul Snoek te moeilijk heeft geschreven; dat hij voor velen als 'vreemd' zal blijven overkomen. Ik ben nochtans van mening dat hij als dichter moeilijk te overtreffen valt. Hij heeft met zijn krachtige verzen het verloederde leven nieuwe adem ingeblazen. Hij heeft de onder ons levende farizeeŽrs met de vinger gewezen en 'God, de allergrootste Dichter' vorm en gestalte gegeven. Herken jij dan de weelde van zijn verzen niet? Besef je niet dat hij het Geheugen tot in de oertijd ontbolsterd heeft? Voel je niet aan hoe hij zelf geheugen werd. Hoe hij ons tracht wakker te schudden. Hoe hij de weg wijst naar het sacrale.

Paul Snoek heb ik steeds een moeilijk verstaanbare dichter gevonden, hij spreekt mij dus minder aan. Voor mij moet poŽzie communicatief blijven. De relatie lezer /schrijver is mij even lief als Vroman die het in zijn 'Voor wie dit leest' heeft over de medecreativiteit van de lezer. De lezer, die het in letters geschreven of gedrukte ingeslapene, opnieuw wakker leest; levend maakt. Het woord dat tot herkenning leidt, tot inzicht misschien. Het woord dat (aan)raakt, waardoor een basis van liefde ontstaat die lezer en dichter met elkaar verbindt. Hierop berust de poŽzie die ik persoonlijk de moeite waard vind.

Medecreativiteit, daarom gaat het precies. Wat baat het dat een componist de edelste tonen als parels aanreikt, de dichter de dauw laat ademen of de beeldende kunstenaar onze ziel raakt tot in de verste wortels, als de luisteraar-lezer-kijker geen aanvoelen heeft van het grote Gebeuren. Misschien ontbreekt het velen aan een niet te omschrijven zintuig of doodgewoon aan intuÔtie? Van het onmetelijk talent van Paul Snoek kunnen de meeste dichters slechts dromen. Ik houd oneindig veel van de symbooltaal van Paul Snoeks verzen. Ze bevat alles wat niet vreemd is aan de schepping. Trouwens, Lieve, je zei me, nog niet zo lang geleden, dat je mijn artikel 'Paul Snoek, de onbegrepen mens en dichter' bijzonder goed had gevonden. Hij was je achteraf al heel wat minder 'vreemd', nietwaar?

Ja, Iris, het artikel vond ik uitstekend. Maar van verzen gesproken: wanneer ik een vers 'goed' vind, heeft het onmiskenbaar met de vorige vraag te maken. Dan werpt het woord /beeld licht op de werkelijkheid die ik ben en waarbinnen ik ben; waarbinnen ik besta. Het woord /beeld raakt me. Er ontstaat een intieme relatie tussen dichter en lezer waardoor beiden wat bewuster worden. In die zin heeft elk 'goed' gedicht een helderziende functie; is de dichter of dichteres zo een beetje ingewijde, verlichte.

Of elk 'goed' gedicht een helderziende functie heeft betwijfel ik. Er bestaan goede gedichten die niet naar het sacrale verwijzen of het suggereren. Meestal gaat het om gedichten van: 'lees-geniet- vergeet'; gedichten die niet vanuit de oerlaag opgedolven werden. Zandkorrels zijn het in de plaats van kleiklompen. Ze verwaaien. God zou er met al zijn kunde geen Adam uit kunnen boetseren, vermoed ik. Maar we begeven ons op glad terrein. Laten we liever het gesprek een andere wending geven. Misschien lees je me een van je losse gedichten voor, je weet, Lieve, daar ben ik steeds voor gewonnen. Misschien dit, waarin je naar onze vermeende tweelingziel verwijst?

Lichtval

Waaruit de aarde is
maar eender nog zijn wij
aan licht gelijk, als samen

uit het ruimtevuur ontstaan
om tanend tot warmte te vergaan
binnen het raster van de tijd

Je schrijft me vaak een brief en deze brieven bewaar ik zorgvuldig; het zijn pareltjes poŽzie zoals het gedicht dat je me voorlas. Het mooie erin is de aandacht die je schenkt aan alles wat ademt, wasemt, groeit, bloeit. De inhoud is nooit onbenullig, integendeel, steeds betoon je interesse voor anderen, zodanig zelfs dat je jezelf zou gaan verwaarlozen. Je bent gul van karakter, vredelievend en vergevingsgezind. Al deze goede karaktereigenschappen ontdekte ik in jou. Ben ik er ver naast te veronderstellen dat oprechte vriendschap en genegenheid van zeer grote beduiding zijn voor jou?

Zijn vriendschap en liefde niet de nectar van dit leven? Datgene wat ons staande en gaande houdt? Datgene waar wij bijtijds... kruisen om dragen.../ vallen, opstaan en gaan...?! (zoals jij dit verwoordde in 'Passante'). Het is inderdaad die liefdevriendschap die kern is in ons leven; in mijn leven. Rustpunten, zoals innige ontmoetingen met vrienden, zijn vaak te zeldzaam en dus uitzonderlijk kostbaar. Heilige momenten zijn dat. En of ik daarvan geniet; daaruit mijn energie put!

Ik weet dat alle drie jouw kinderen zeer muzikaal zijn aangelegd, hetgeen wellicht een grote vreugde betekent, niet alleen voor hen, maar ook voor hun ouders. Het muzikale ritme waaruit verzen ontstaan, en waarin ze gebed liggen, ervaar je dit als muziek? Ervaar je toon- en dichtkunst als nauwe verwanten?

Alle kunstvormen zijn, naar mijn aanvoelen, verwant als broers en zusters; stammen uit ťťnzelfde bron. Leven vanuit die onvoorstelbare energie die elke kunstenaar probeert te vertalen, in woord, beeld of klank. Persoonlijk (h)erken ik de muziek als de meest volledige uitingsvorm. Telkens opnieuw treft mij de geweldige, suggestieve kracht, de harmonie ook van bepaalde composities. Ze maakt elk zintuig klaar wakker, doorzindert ons, tot zelfs de fijnste snaren van de ziel gaan trillen; een fractie "heel-al" zichtbaar wordt.. Omwille van deze ervaringen is muziek, voor mij, wellicht de meest volmaakte van alle kunsten. Verstand, gevoel, intuÔtie, bestaan en harmoniŽren naast en met elkaar. Dichtkunst is de kunst van het woord. Het woord dat kleur, klank, beeld en ritme oproept. In die zin is een dichter ook een soort toondichter; is elk vers een kleine compositie.

We hadden het reeds een beetje over van alles, Lieve, maar niet over jouw toekomstplannen. Je bezit een heleboel losse gedichten. Heb je geen zin om in de nabije toekomst een bundel uit te geven?

Al maanden ligt hier inderdaad een tweede bundel in de lade. Wellicht zet ik vandaag of morgen wel een stap naar een geschikte uitgever. Enerzijds plaagt mij opnieuw een zekere drempelvrees en anderzijds bestaat toch dat 'onderhuidse' verlangen om mee te delen...

Jouw eerste (en tot op heden enige) uitgegeven bundel "De Dagen voor Anker" kende een fenomenaal succes. Aan wie of wat denk je dit te mogen wijten? Je weet, evengoed als ik, dat zelfs naar de meest geprezen bundels van bekende dichters en dichteressen, weinig vraag bestaat. Dat de meeste soms jarenlang ongelezen in de bibliotheekrekken blijven steken...

Allicht hebben de positieve recensies in dagbladen en literaire tijdschriften, en een uitzending op B.R.T. 3, voor de nodige publiciteit gezorgd. Blijkbaar blijven mensen nood hebben aan herkenbare, begrijpbare poŽzie die wars is van alle modetrends, maar die eerlijk en authentiek probeert te verwoorden, te bevragen, datgene wat inherent is aan onze existentie. PoŽzie als zinzoeker. PoŽzie als aanraking... PoŽzie waarin men zich lotgenoot weet.

Tot daar Lieve die zich als dichteres nauw verwant voelt met mij. Wat me vooral opgevallen isr> zijn de foto's die ik van haar bezit, genomen tijdens de ene of andere wandeling die ze geregeld onderneemt met haar gezin. Ze mag dan ook van geluk spreken: haar man, die zijn onmiskenbare liefde voor schoonheid pleegt te uiten in de fotografie, wijdt zich met volle overgave aan dit tijdverdrijf. Hij doet dit op poŽtische wijze, zodat soms een foto ontstaat waarop we Lieve kunnen zien met haar dromerig, fotogeniek renaissancegezicht.

Lieve Van Impe: een dichteres om van te houden? Zeer zeker. Wie haar verzen leest zal me ongetwijfeld gelijk geven. Dat we soms verschillen van mening mag voor een goed deel te wijten zijn aan het leeftijdsverschil. In ons streefdoel zijn we het nochtans zinderend eens: het beste van onszelf geven om langs de poŽzie om, onze naaste te raken; hem innerlijk te verrijken, hem aan te zetten tot schoonheid, tot inzicht, tot medecreativiteit. Zo is Lieve dan ook mťťr dan een dierbare vriendin. Ze is ťťn van de wijze vrouwen aan wie en door wie het sacrale vuur verder doorgegeven wordt.

Iris Van de Casteele De PoŽzietuin, 22 augustus 1992