ZAND WIL HIJ ZIJN, GEEN OLIE
ZIJN NAAM: FRANS FRANSAER

Op het grondgebied Oost-Vlaanderen, dicht bij de grens van Brabant, ligt Moorsel; een gemeente die na de samenvoeging van gemeenten en steden haar zelfstandigheid verloor en nu tot de stad Aalst behoort. Of de Moorselaar daar nu zo gelukkig mee is blijft de vraag want zijn gemeente kan bogen op een zeer oud en bewogen verleden.

Op het einde van de 7e eeuw was Moorsel een "Villa", d.w.z. een grote landbouwuitbating. Het kasteel staat er nog en er schijnen daar mensen te wonen. Midden op het dorpsplein staat de alom gekende Sint-Gudula Kapel. Vandaar zijn het amper drie kilometer tot aan 't Kruisabeel, een rustige landelijke omgeving "waar bomen mensen lijken en mensen bomen". Daar woont FRANS FRANSAER.

De lezers van De Poëzietuin hebben al eerder kennis kunnen maken met zijn schrijftalent en wie geabonneerd is op Gazet van Antwerpen kon tot voor kort elke dag een vervolg lezen van zijn roman "Thanatos en de zee". Conclusies trekkend uit hetgeen ik over hem en van hem las, zal dit gesprek stellig boeiend worden.

-Vooreerst mijn dank, Frans, voor het helpen tot stand brengen van dit gesprek en voor het goede onthaal. Voor de lezers van het weekblad "Vrij Maldegem" is het misschien interessant te vertellen op welke manier je bij "De Poëzietuin" terecht kwam.

-Heel eenvoudig. Ik had in "Vlaanderen" je zeg-maar-advertentie gelezen. Ik dacht dat "De Poëzietuin" een nieuw tijdschrift was met referentieadres vlak bij mijn deur. Asse ligt toch op een boogscheut. Nu ja, een symbolische dan want als fervent fietser weet ik wat kilometers zijn. Het woord Poëzietuin leek me zo aantrekkelijk, en de tuinierster beschikte over zo'n poëtische naam, dat ik meteen een gele briefkaart zocht en ze naar Asse stuurde.

Tot mijn verrassing kreeg ik heel vlug een antwoord onder vorm van een exemplaar van Vrij Maldegem met daarin de bewuste tuin. Ik zoek nu dat nummer.... Ha, kijk hier. Blijkt het blad van 23 februari 1990 te zijn geweest. Christine Guirlande kijkt me vanuit het midden van de bladschikking met een soort post-Alice-Nahonblik aan. Inclusief een pittig artikel over een Brussels cafeetje "Het Goudblommeke". Vooral dat goudblommeke imponeerde me. Stukken meer dan poëzie als ik eerlijk bekennen mag. Ik moet beslist eens op bedevaart naar dit cafeetje. Wanneer toon je me eens dat genadeoord ?

-Wanneer ? Hmm.... Het viel me dadelijk op hoe bijzonder spontaan en hoe poëtisch je reageerde op het eerste proefnummer dat je ontving. Een collagekaartje met calendula's en een prachtig gedicht vonden hun weg naar De Poëzietuin die nu niet precies dat is wat men een grote literaire bladzijde zou kunnen noemen, eerder opgevat in de zin van "lees- en leefbaar voor wie en wat poëtisch is". Hoe komt een dichterschrijver met een grote intellectuele en stevige culturele bagage erbij een blad als het onze aan te schrijven ?

-Omdat het onbekende me boeit. De Poëzietuin was voor mij zo'n open, onbetreden terrein dat de moeite waard was te verkennen. Ik houd van vraagtekens en van blinde vlekken op een kaart. Bovendien was ik erg nieuwsgierig om te weten wie die Iris Van de Casteele wel was. Want dat ze heel wat in haar mouw en in haar pen had was me zonneklaar. Er zijn mensen die gazetten vol schrijven maar waar het lees-en-vergeet blijft. Terwijl anderen één zin op papier zetten en je weet zo meteen; dát klikt ! Dat bewuste hoofdartikel "Het Goudblommeke" was zo spontaan geschreven maar met zo'n dichterlijke én menselijke allure dat ik gewoon niet anders kon dan op mijn manier te reageren. Met een collage uit een verknipte Gonthier-gids hé.

Nog groter werd mijn nieuwsgierigheid toen de tuinierster op haar beurt de spade keerde met een beklijvend gedicht.... Drie puntjes. Een kei van een gedicht. Deze poëziehof moest iets speciaals zijn. En inderdaad, deze poëtische bladzijde uit Vrij Maldegem is enig. Tel de kranten en magazines maar die zo'n hele, volle, dure bladzijde aan poëzie besteden. Ik kan het nog altijd slecht geloven dat dit tussen Waterland-Oudeman en Sint-Martens-Voeren mogelijk is. De uitgever van je weekblad moet vast een fijne neus voor evenwicht hebben !

-In een bio-bibliografie las ik: Frans FRANSAER werd op 4 oktober 1934 te Moorsel geboren. Volgde moderne humaniora in het Sint-Maartensinstituut te Aalst, studeerde filosofie te Drongen en theologie te Gent. Behaalde het diploma van regent Nederlands-Geschiedenis. Was van 1968 tot 1973 werkzaam als zeeman (wiper) bij de Belgische Koopvaardij en is sindsdien leraar aan het Vrij Technisch Instituut te Aalst. Indrukwekkend ! Wat mij echter het meeste opviel was het woordje "wiper" wat zoveel betekent als poetsman. Hoe komt een intellectueel erbij deze slecht betaalde job te aanvaarden wetend dat dit gepaard gaat met uitbuiting en vernederingen ?

-Dat uitbuiten en vernederen was mijn zaak niet. Al zou ik het vlug op de zeven zeeën en de vijf continenten ervaren. Wat me wel aanging waren schepen, was varen, reizen, het avontuur en ik nam er al de smeerlapperij bij, letterlijk en figuurlijk, evenwel niet zonder met opgekropte woede te steigeren. Vergeet niet dat het 1968 was toen ik voor het eerst in Zeebrugge op een tanker aanmonsterde. De wereld stond toen op zijn kop. Er was Bob Dylan en ik geloofde net als zovele: er komen andere tijden. Tussen haken: die andere tijden zien we nu: een maffe, doffe burgerlijkheid zoals nooit te voren. Maar dát ei zullen we nog wel eens pellen. Tenminste als die plastrons me intussen zelf niet pellen of scalperen want van oorlogje spelen houden ze blijkbaar wel. Enfin.

Che Guevara was net vermoord. Je had altijd wel een tekst van hem binnen handbereik: een vurige idee in je kop of een in rood geverfde Viva Che in de favellas van Bahia of in de Newyorkse metro. Het "on the road" zijn greep me hevig aan. Na 8 jaar lesgeven wou ik een job waarbij ik niet hoefde te praten. Het "doen" was zoveel belangrijker in die jaren. En in alle jaren, hoop ik. En, mensenlief, wat voelde ik me jong op mijn 33e jaar ! Hoe geweldig was het te leven; midden de jachtige planeet aarde te staan en de kentering van een tijd te beleven. Wat lijkt me het Westen vandaag schokkend banaal, vol uitgestreken koele kikkers in colbertje met merkdas, boordevol dure, arrogante, jonge, gladde burgermannetjes en dito vrouwtjes. Alleen de macht en de dollar aanbidden ze: daar hebben ze alles voor over. Oorlog incluis.

-Je publiceerde de dichtbundels "Gebed zonder goed einde" in 1983 bij Yang, en "Onderdak vinden" in 1986 bij Point. Verder verschenen er bij uitgeverij De Clauwaert twee romans en één novelle namelijk. in 1979 "M.S. Karibu", in 1983 "Thanatos en de zee en "Vasilis en de zee". Is er geen nadeel verbonden aan uitgeven bij één en dezelfde 'rechtse' uitgever ? Kom je zodoende niet in een draaikolk terecht ? Heb je niet de indruk dat er in literaire kringen onzinnig, soms tot vervelens toe, omgesprongen wordt met rechts-links ?

-Draaikolken horen bij het leven. Wie ze teveel vermijdt loopt zelf gevaar erin gedraaid te worden. Belangrijk is de draaikolken te zien, ze te kunnen lokaliseren. Literaire kringen ? Ik laat me niet vast weven, in geen enkel net, een net met ergens een dominante spin binnenin, nee ! Ook literaire en culturele avondjes liggen me niet. Het gewone dagdagelijkse leven is zoveel ruimer en krachtiger dan het zich te pletter lopen naar literaire clubjes. Dat kastje links-rechts is navenant met zijn pasklare schuifjes als verdomhokjes. Wat heb ik een hekel aan vastgeprikt te zitten. Maar sommigen vragen niet liever. Het is opmerkelijk hoe heel wat critici nogal wat graag in dat verdomhokje snuffelen. Als ze een nieuw boek ter recensie "doen" zijn dat dan hun aanbeden criteria:

1.Uitgeven in Nederland of niet ?
2.Welke uitgever staat er achter ?
3.Welke krant haalde het wierookvat boven ?
4.Welke (liefst) machtige literaire spinnen schermen de auteur af (of weven hem in) ?
5.Pak kleine garnalen hard aan.
6.Zwaai de lof van De Grote Namen.
7.Verover een literaire markt via de bekende literaire bladen en kanalen (juryleden, prijzen).
8.Nestel je in al die bladen als boekbespreker of als literair commerçant.
9.Probeer zo gevreesd mogelijk te worden en laat je gelden.
10.Wed steeds op het winnende paard.
Een criticus: een haan die kraait terwijl kippen eieren leggen, las ik onlangs.

-Iemand die aandachtig jouw boeken gelezen heeft komt tot de vaststelling dat je een ware humanist bent. Dat politiek links-rechts voor jou even zo weinig betekent als een onbenullig boek. Je herleidt alles tot zijn echte waarde: je neemt het op voor de verdrukte, voor de zwakkere, hij moge wezen een Vlaming die het w.c schrobt of een Zuid-Amerikaan die de boot volstouwt met bananen. Waardigheid en vrijheid zijn je ver van vreemd, nietwaar ?

-Vrijheid en waardigheid, daarin is iedere ware cultuur geworteld. Gemakshalve stopt men zich zo graag weg in links-rechts tegenstellingen; men springt zo graag op een kar die al aan het rijden is. Maar zelf de kar in gang duwen... ? Als je mij zou vragen aan welke kant ik sta dan is dat nooit aan de kant van de machtigen. Ik geloof te veel in de macht van de onmacht om achter de grote, erkende, wapperende, zegevierende vaandels op te stappen. Wie me wel aanspreken zijn degenen die het opnemen voor het kleine, het onnuttige, de fietser, de innerlijk gekneusde, het onderdrukte. Zij die het opnemen voor een verkrotte buurt, die een beekje willen redden van kanalisering, die sympathie betuigen voor uilen en vleermuizen. Zij die een gastarbeider als mens aanzien.

Dié mensen, die de klappen krijgen omdat ze waarschuwen tegen een economie die tot economisme ontaardt. Ik sta telkens aan die kant die het politiek, hypocriet gehuilebalk moe is omdat er toch maar over winst en macht en eigenbelang gepalaverd wordt. Hoe geweldig vind ik in dit verband het beklemmende gedicht van Günter EICH. Het werd opgenomen in de 20e Point bundel "Want jullie dromen zijn bedrog": Nee, slaap niet, terwijl de handhavers der wereldorde bedrijvig zijn ! Wees wantrouwig tegenover hun macht, die ze zogenaamd voor jullie dienen te verwerven ! Waak erover, dat jullie harten niet leeg zijn als met de leegte van jullie harten gerekend wordt. Doe wat nutteloos is, zing de liederen die men uit jullie mond niet verwacht ! Wees hinderlijk, wees zand, niet olie in het drijfwerk van de wereld. "SEID UNBEQUEM, SEID SAND, NICHT ÖL IM GETRIEBE DER WELT".

-Er wordt nogal gemakkelijk gezegd dat schrijven een soort van therapeutie is. De ene gaat daarmee akkoord, de andere niet. Ik denk niet dat een schrijver voortdurend bezig is zichzelf te genezen (indien hij dan al ziek mocht zijn), maar dat hij eerder op ontdekkingstocht gaat. Dat hij - na afstand genomen te hebben - waargenomen dingen beschrijft. Ga je daarmee akkoord ?

-Mijn gedacht is: schrijver schrijf, maar schrijf eerlijk en staar je niet blind op je eigen navel. Al kan een schrijver toch maar die dingen snappen vanuit zijn kleine kluis, daar waar hij poogt met zijn kleine grijze hersenen de wereld om zich heen te ordenen. Ik ben een verwoed lezer van dagboeken: ze spreken me meer aan dan gelijk ander literair werk, zij scherpen veel meer mijn aandacht dan zo maar fictie om de fictie. Hoe zei Boon het, dat hij de fantasie van anderen niet verdroeg. Hoever maakt een schrijver zich los uit het autobiografische ? De ene al minder dan de andere. Het is hun zaak. Is dat therapie ? Voor de ene wel, voor de andere niet, meen ik. Eigenlijk heb ik een grote afkeer van dat eeuwig geleuter. Schrijvers nemen zichzelf veel téveel au sérieux: zij zijn te veel met zichzelf ingenomen.

-Zou je menen, Frans, dat er een zekere opstand, een soort medeleven of medevoelen, in je moet aanwezig zijn om tot schrijven te komen of verschilt dat van mens tot mens ?

-Als het vogeltje zingt zoals het gebekt is, is dat prima. Soms ben ik verzot op kwetterende mussen.

-De personages die jouw boeken bevolken lijken allemaal échtbestaande mensen. In de roman "M.S. Karibu" spreek je over het havenmeisje Saida met heel veel tederheid. De lezer gaat van haar houden. Ze is niet het goedkope of koopbare meisje, maar een mens als elk ander Je geeft haar een zuiver "gezicht". Is dat de bedoeling ?

-Ja, dat zuivere in de mens daar gaat het precies om. Over dat stukje paradijsvogel in ons. Jammer genoeg laten schrijvers al te vaak hun grauwe veren zien of hun pauwenkreten horen.

-Toen ik de bundels "Gebed zonder goed Einde" en "Onderdak vinden" las wist ik meteen dat je een waarachtige dichter bent . Ik vermijd met opzet het woordje "groot" want wat is groot ? Is het de naam ? Is het de verkoop van het aantal boeken ? Is het de uitgever ? Is het niet beter en juister "waarachtig" genoemd te worden in plaats van "groot" ?

-Ik krijg rillingen: groot, voornaam. Ik word ongemakkelijk als men de loftrompet gaat steken omdat ze vaak zo vals klinkt. Waarom schrijvers niet nemen voor wat ze zijn: een soort ambachtslieden van het woord; woordwerkers die hun best doen om er wat genietbaars van te maken. Dat soort mensen dat zich met lustgevoelens zanger, dichter, schrijver, acteur, kunstenaar laat noemen, wil veel te vaak bewierookt worden: ze houden niet op te leven in de schone schijn. Ik erger me dan ook constant aan hun charlatanisme: ze voeren almaar wat komedie op en willen zich daar nog laten voor betalen ook. Ik heb altijd binnenpretjes als "Men Met Groot Cultuurgevoel De Dichter Noopt Tot Voorlezen Uit Eigen Werk". Alsof de zaalzitters dat voorlezen een barst interesseert: men komt ten hoogste de dichter een hart onder de riem steken. Wie graag voorleest staat graag vooraan, wordt graag toegejuicht, meen ik. Wat mezelf betreft: ik heb liever mijn keukenstoel dan het spreekgestoelte.

-Wat bij jou opvalt Frans, is taalvaardigheid. Het Vlaams sijpelt overal door en doet zeer modern aan. Je weert woorden zoals leuk, lekker e.a. die de Vlaming niet "liggen". Je schijnt niet te lijden aan het Holland-syndroom maar bewust een keuze gemaakt te hebben. Je geeft niet toe aan wat de meeste uitgevers verlangen, namelijk zoveel mogelijk het Nederlands "zuiveren" van Vlaamse woorden. Kan dit koppig vasthouden aan onze taal geen struikelblok betekenen voor je schrijversloopbaan ?

-Op de eerste plaats wil ik zeggen dat ik geen schrijversloopbaan heb. Ik heb het al lastig genoeg met een loopbaan als leraar. De enige loopbaan die ik als echt in mijn leven aanvaard heb is die van zeeman, al duurde die spijtig genoeg maar 5 jaar. Maar daar kom ik nooit meer los van ! Taalvaardigheid ? Ik doe mijn best, ik ben graag met taal bezig. Taal als scheppend element maar ook als studieobject. Zo zat ik me vanmorgen af te vragen waar die doffe e vandaan komt achter sommige dialectische tweeklanken ? oeëg, dooëf, nooëg, enz....

Dat zijn vragen die zomaar opwellen. Ja, dat jijen en jouwen van tegenwoordig. Ik kan het niet, ik doe daar niet aan mee. Ook in de klas niet. Zelfs in Nederland niet. Althans als spreektaal. Zelf vind ik het vreemd dat ik het wel doe als ik schrijf en dat ik me zelfs moet forceren om in een tekst ge of gij te schrijven. Misschien is dat een gewoonte van me geworden.

Misschien ook omdat schrijvers toch een soort komedianten zijn die de werkelijkheid voortdurend transformeren. Ik aanzie het Algemeen Nederlands als een richtinggevende norm, niet als een dwingende eis. Ik permitteer het me gij en ge te zeggen en jij en je te schrijven. Allebei uit gewoonte ? Zeker, zie ik niet in waarom 6 miljoen Vlamingen nu aan het jijen en jouwen zouden moeten gaan.

-Wat ook opvalt zijn het ritme en de korte, rake zinnen. Je stuwt de lezer voort en tegelijk lijkt het alsof je zelf voortgestuwd wordt. Er is een soort bezetenheid. Een drang. Zou men het zo kunnen stellen dat zonder die drang een schrijver niet bestaat ?

-Ik weet het niet. Wel denk ik aan dat vogeltje en dat bekje. Bovendien is drang zo'n gruwelijk woord, het rijmt me teveel op dwang.

-In het heemkundig tijdschrift "De Faluintjes" verschijnt sinds geruime tijd één van je bijdragen onder de veelzeggende titel "Taalroom". Je laat de lezer een soort wandeling maken langs het abc van de volksmens. In wezen gaat het erom Vlaams dialect op te tekenen en te bewaren. Zo las ik het o.a. het woord "Minsjekloeëter" (wie graag mensen beetneemt soms ook tergt). Het is niet alleen plezierig maar ook zeer verrijkend deze artikels te lezen. Waar haal je al die woorden vandaan ? Spreek je zelf ook nog dialect ? Kom je vaak in aanraking met de "gewone" mens ?

-Wie ben ik dat ik me anders zou voelen dan een gewoon mens. Wie ben ik anders dan de zoon van Fransaers Leon en Sis de Wittens Renilde, werklieden: textiel- en seizoenarbeider en een naaister. Iris, je weet welk een hekel ik aan omhoog gevallenen heb. Ik weet hoevelen van dat pedante slag niet aan hun wortels herinnerd willen worden. Onze tijd is een verdomd gladde, koele, arrogante tijd. Ik schuil in de warmte van mijn wortels. En die wortels zijn ook onze taal. En mijn moedertaal beschouw ik als het Moorsels. Waarom zou men daarover beschaamd moeten zijn ? Na ons is dat gedaan, want het is al een regiolect aan het worden, op weg naar een meer afgevlakt maar meer hanteerbaar Nederlands. Taalevolutie is een feit. Zelf juich ik toe dat men zich in een gesmijdiger Nederlands kan uitdrukken. Ik vind het vreselijk hoe de volksmens zich soms in bochten wringt om een mondje AN te klappen. Maar met spijt in het hart zie ik het dialect verdwijnen. Net als het Vlaamse, Brabantse landschap: onomkeerbaar.

-Je bent bijzonder geboeid door het leven en het werk van Vincent Van Gogh. Ook weer zo'n "vertrapte". Iemand die niet aan de drang van het scheppen kon weerstaan en die er aan kapotging. Valt je innerlijke wereld te vergelijken met deze van Vincent ? Hoe ervaar je deze kunstenaar ? Is het juist te zeggen dat jouw belangstelling voor hem een soort goedmaken is van al het onrecht dat hij tijdens zijn ongemeen vruchtbaar leven wedervoer ?

-Laat ik vooraf bekennen dat het uitgebazuinde Van Gogh-jaar veel kapot gemaakt heeft: ze hebben ons zowat Vincent afgepakt. Het zou bij mij nu niet meer opkomen een Van Gogh-gedicht te schrijven. Hij is nu immers de man van het anderhalf miljard of meer geworden. De man rijp voor het Guinness-record-boek. In zijn leven hield men hem rijp voor het zothuis. Leve Van Gogh als hij dood is. Uit weerwraak voor wat ze Vincent almaar aandoen zouden we nu minstens een eeuw over hem moeten zwijgen. Laten we ons zwijgen verheffen tot een waarachtig Van Gogh-monument van de geest.

Wat mij wel bekommert is wie NU - anno 1991 - compleet doodgezwegen wordt. Mensen die NU het beste van hun wezen geven waarover met geen gazettenletter gerept wordt. Mensen die pas na hun dood - zoals Vincent - wierook moeten krijgen. Dat vroeg ik me ook af op de laatste Boekenbeurs in Netwerk te Aalst. Welk werk ligt hier NU order de vele honderden titels; werk dat nu doodgezwegen of doodgekoejoneerd wordt. Ik weiger dié boeken te kopen die door de commerce de hemel in geprezen worden. Lonen ze echt de moeite dan lees ik die wel later, als ik met pensioen ben....

-Je klaagt vaak - en terecht - wantoestanden aan. De vernieling van ons patrimonium is er één van. Een half jaar geleden las ik een artikel van je hand dat in EcoGroen verscheen waarbij je je doodergert aan de teloorgang van de prachtige gotische H. Geestkapel te Aalst, de 17e eeuwse hoeve 't Geldhofke, oude linden, een aloude herberg en je zegt het prachtig: "Aalst destert"; Aalst vernielt. Vandaag staat de kapel al helemaal op invallen. Heb je niet de indruk te roepen in de woestijn of te vechten tegen de windmolens zoals Don Quichote ?

-Voor mij is roepen in de woestijn veel indrukwekkender dan met een megafoon door de straten van Aalst of Brussel te lopen gillen. Onze pers schreeuwt zo luid dat we ze niet eens meer horen. Soms is het veel efficiënter te fluisteren. Er is een stilte die veel luider klinkt dan het grootste gebral van een huilebalk. Kijk maar naar Don Quichote, dat is prima gezelschap: die houdt het al eeuwen vol. Net als die schrijnwerkerszoon uit Nazareth die het ook al twintig eeuwen doet. De nu geroemde en gevleide politici die ons landschap en ons architectonisch patrimonium verkwanselen en verminken zullen over een kwarteeuw totaal vergeten zijn. Tenzij hun namen weer bovengehaald worden om ze honend aan de kaak te stellen.

-Toen ik in de meimaand van vorig jaar voor het eerst het poortje opendeed op 't Kruisabeel 65 (nu 99), hing er een felle exotische geur in de lucht. Ik ontdekte vele bloemen en kruiden die ik nooit eerder zag. Een met liefde verzorgde, ongeschonden boerentuin. Beten vol groenten, een zeer oude kromme appelaar, hoge varens. Ik zag hoe er volledige harmonie heerste tussen dit alles. Je lijkt, Frans, als het ware vergroeid met dit stukje grond. Vind je daar de balsem voor dé wonde ?

-Precies, zo is het. En wat voor balsem ! Tot daar mijn gesprek met Frans. Ja, wát voor balsem.... Ik kom me opeens klein en belachelijk voor met al mijn gevraag, want ik geef me rekenschap dat ik naast de dingen aan het graven ben. Dat ik op deze manier de wortels niet zal blootleggen die een mens voeden en in leven houden. Ik had het bijna de hele tijd over schrijvers en boeken. Teveel woorden heb ik gewijd aan het onbenullige. Aan dingen waaraan niet alleen Fransaer zich ergert zoals onder meer aan de verdwazing van onze maatschappij. Het is me een wijle ontgaan dat ik meer had kunnen puren uit de stilte tussen de vragen.

Ik heb niet genoeg geacht op zijn fluisteren, te zeer was ik begaan om hém de andere mee te delen. (Ik hoop dat hij met die loftrompet mij niet bedoeld heeft. Ze klonk anders bij het begin van het gesprek niet slecht). Maar hij zegt het zelf: ik heb heel wat in mijn pen. Daarom ga ik iets van het verzuimde proberen goed te maken. Zo vroeg ik hem niets over zijn leven als eenzaat. Niets over de groene vingers waarmee hij de aarde bewerkt. Niets over de mensen die hem echt boeien.

Niets over zijn grote liefde voor klassieke muziek, voor Griekenland, voor Zuid-Amerika. En dit, omdat ik het gevoel heb dat dit zijn innerlijke, onbezoedelde wereld is waar hij zich kan terugtrekken en waar niemand iets te zoeken heeft. Omzichtig heb ik vermeden dit gesprek te laten uitlopen op nietsontziende, ongezonde nieuwsgierigheid. Wat Frans Fransaer zegt is juist: er wordt teveel geleuterd over onbekwame stuntelaars en te weinig aandacht geschonken aan de echte stielmannen/vrouwen. Ik wil méér dan leuteren en daarom ga ik die "kei" van een gedicht waarover hij het in het begin van ons gesprek had, (drie puntjes) deze keer niet alleen hem, maar alle lezers aanbieden.



drie kleine kiezels
kiest hij uit

hij poetst ze op
hij wrijft ze glad
ze liggen wit
in mijn bezit

antonio en ik
volgen de regen
op de ruit

druppels
vivaldi

Iris Van de Casteele
18 januari 1991